Structuur en geschiedenis van het Nederlands Een inleiding tot de taalkunde van het Nederlands

Het Nederlands in België

1. De actuele taalsituatie in België

Vier taalgebieden

De actuele taalsituatie in België

Dwars door België loopt een taalgrens die een eentalig Nederlands gebied in het noorden scheidt van een Franstalig gebied in het zuiden. In het Nederlandse taalgebied ligt a.h.w. een eilandje, Brussel-Hoofdstad, dat officieel tweetalig Nederlands en Frans is. In het oosten van het land, aan de grens met Duitsland, ligt een eentalig Duitstalig gebied. In principe zijn er dus vier taalgebieden in België. De taalgrens is officieel bepaald in 1962 en sindsdien ligt van iedere vierkante centimeter grond in het land vast tot welk taalgebied het behoort. In België geldt het zogenaamde territorialiteitsbeginsel: het grondgebied waar je je bevindt, bepaalt de voertaal. In tegenstelling tot wat velen denken, is het dus niet zo dat heel het grondgebied van België tweetalig Nederlands-Frans is; dat is alleen Brussel-Hoofdstad, verder hebben we te maken met eentalige gebieden.

Het Nederlandse taalgebied

In de noordelijke provincies van België wordt als moedertaal Nederlands gesproken, en in de zuidelijke provincies Frans; die situatie bestaat al heel lang. De taalgrens in België is eigenlijk deel van een veel grotere grens tussen Germaanse talen en Romaanse talen in Europa die waarschijnlijk al 2000 jaar bestaat. Al ten tijde van het Frankische rijk, omstreeks de 7e-8e eeuw, moet het overgangsgebied tussen een Romaans taalgebied in het zuiden en een Germaans taalgebied in het noorden in het huidige België hebben gelegen.

2. Historische achtergrond

Om de complexe taalsituatie in België en de kenmerken van het Belgische Nederlands te begrijpen, moeten we de historische achtergrond bestuderen.

De middeleeuwen: het graafschap Vlaanderen

Tijdens de middeleeuwen waren de Lage Landen een lappendeken van gewesten: graafschappen, hertogdommen e.d. Belangrijk is dat het grootste deel daarvan omstreeks de 13e eeuw bij het Duitse Rijk hoorde, maar dat het graafschap Vlaanderen in handen was van de Franse koning. Het graafschap Vlaanderen omvatte in die tijd West-, Oost-, Zeeuws- en Frans-Vlaanderen. Tussen 1200 en 1400 was Vlaanderen politiek, economisch en cultureel het machtigste gebied in de Lage Landen. Belangrijk voor Vlaanderen was de Guldensporenslag op 11 juli 1302, toen de Vlamingen in opstand kwamen tegen de Franse koning, Filips de Schone, en tegen de pro-Franse adel. De Franse koning stuurde ridders en boogschutters, terwijl de Vlamingen alleen beschikten over burgers; toch konden zij het Franse leger verslaan. De Guldensporenslag versterkte het zelfbewustzijn van Vlaanderen enorm.

Waarom 'Guldensporenslag'? Op 11 juli 1302 bleven op het slagveld de vergulde sporen achter van de gesneuvelde Franse ridders, metalen punten op de schoenen waarmee ze hun paard prikkelden (‘aansporen’) om sneller te lopen. Deze dag wordt nog steeds gevierd als officiële feestdag van het Vlaamse Gewest.

De Veldslag der Gouden Sporen
Litho: H.J. Backer, naar Nicaise de Keyser (1.0)

In de middeleeuwen was het Latijn in de Lage Landen de taal van de kerk, de wetenschap, het hoger onderwijs. De Nederlandse moedertaal werd vanaf de 13e eeuw de taal voor ambtelijke teksten in de Nederlandssprekende gewesten. In het graafschap Vlaanderen had echter ook het Frans een belangrijke functie. De Vlaamse adel en belangrijke kooplieden waren waarschijnlijk tweetalig Nederlands en Frans om belangrijke contacten te kunnen onderhouden. (vgl. Invloed van Latijn en Frans in de middeleeuwen)

De Nederlanden in de Bourgondische tijd

In de 14de eeuw vond er een politieke eenmaking plaats en werden de Nederlanden samengevoegd in het Bourgondische rijk. De Bourgondische, Franssprekende hertogen vestigden zich in Brussel en het Frans werd een belangrijke bestuurstaal en prestigetaal voor de adel. Door huwelijkspolitiek kwamen de Nederlanden vervolgens in handen van de Oostenrijkse Habsburgers. Karel V richtte in de 16e eeuw de Zeventien Provinciën in en versterkte de politieke eenheid van de Nederlanden. In het gemengde Nederlands- en Franstalige rijk was Brussel de hoofdstad.

Scheiding van de Nederlanden

Republiek der Zeven
Verenigde Nederlanden
Kaart: Joostik
(CC0 1.0 Universell)

In de 16e eeuw kwam het in de Nederlanden tot een godsdienstig geïnspireerde opstand die uiteindelijk heeft geleid tot een politieke scheiding van het rijk. De rebelse noordelijke provincies verklaarden zich onafhankelijk. In 1585 gaf het zuiden zich over aan de katholieke Spanjaarden (de Val van Antwerpen). De scheidingslijn, die in 1648 bij de Vrede van Munster definitief was, kwam ongeveer overeen met de huidige landsgrens tussen Nederland en België. Vanaf dat moment kennen het noorden en het zuiden een eigen geschiedenis en dat geldt ook voor de taal. In de zelfstandige Republiek in het noorden kon op natuurlijke wijze een standaardtaal tot ontwikkeling komen. Vlaamse immigranten, onder wie veel intellectuelen en vooraanstaande personen, brachten een zekere zuidelijke invloed mee.

De zuidelijke Nederlanden: Spaans en Oostenrijks bestuur

Het bezette zuiden ging geen goede periode tegemoet. Door de grootschalige emigratie verloren de Vlaamse en Brabantse steden een deel van hun bevolking; na de afsluiting van de Schelde was handel op zee niet meer mogelijk, waardoor de economie verzwakte; en epidemies (de pest), oorlogen en hongersnood leidden herhaaldelijk tot crisis. Bij de Vrede van Utrecht (1713) ging het gebied over naar de Oostenrijkse Habsburgers, waarbij het tot 1794 bleef horen.

Jan Baptist Verlooy (1746-1797) formuleerde in zijn Verhandeling op d'onacht der moederlyke tael in de Nederlanden een aanklacht op de slechte staat van het Nederlands in het zuiden.

Verhandeling Verlooy
Tekst: Jan-Baptist Verlooy (1788) (1.0)

Onder het vreemde bestuur verfranste het zuiden. Het Oostenrijkse bestuur legde weliswaar het Frans nergens op, maar de bovenlaag van de bevolking van de Vlaamse provincies verfranste vanzelf. In heel Europa had het Frans in die tijd veel prestige. Het Frans was in de zuidelijke Nederlanden de cultuurtaal van de hogere stand en van de intellectuelen. Het drong ook door tot het onderwijs en de pers. Het Latijn bleef overigens in de 17e en 18e eeuw nog steeds een aantal functies vervullen; het was de taal van de katholieke kerk, de wetenschap, filosofie en het hoger onderwijs. Het Nederlands leefde, met andere woorden, alleen verder als dialectische omgangstaal van de bevolking in de noordelijke provincies; zij verstonden zelfs geen Frans. Om die reden werd er in de kerk in het Nederlands gepreekt (waardoor de geestelijken ineens het volk beschermden tegen allerlei slechte ideeën van de Franse revolutie, die een tegenstander van godsdienst was). Het lager onderwijs bleef ook Nederlandstalig.

De Franse tijd

Toen in 1794 Frankrijk de zuidelijke Nederlanden veroverde, verfranste het openbare leven pas echt. De Franse bezetter beschouwde de inwoners van het geannexeerde gebied als Franse burgers: ze moesten volledig assimileren. Het idee was: 'une République, un peuple, une langue' (één staat, één volk, één taal). Volgens de visie van de Franse revolutie staan dialecten de eenheid en gelijkheid in de republiek in de weg. Met dat doel werd een politiek van verfransing gevoerd. Het Frans werd in alle provincies verplicht de enige toegestane taal voor het openbare leven: de rechtspraak, het onderwijs, officiële documenten maar bijvoorbeeld ook de opschriften op openbare gebouwen.

Toen een aantal Vlaamse gemeentebesturen de Franse minister van Binnenlands zaken wezen op moeilijkheden die ze bij de toepassing van de wetgeving op de burgerlijke stand ondervonden, antwoordde deze op 20 november 1796: „De wet, burgers, bepaalt uitdrukkelijk dat alle openbare akten in het Frans opgesteld moeten zijn, het is door de taal dat de mensen op de meest intieme wijze verbonden worden, en u moet aanvoelen hoe belangrijk het is dat die nieuwe band de burgers van de verenigde departementen aan de Republiek hecht. Er dient een einde gesteld aan een verscheidenheid die een hinderpaal zou betekenen voor deze eenheid. Iedere tolerantie op dit stuk is schadelijk voor het algemeen welzijn, alleen de meest volstrekte noodzakelijkheid kan ze rechtvaardigen, u mag alleen in uiterste gevallen dulden wat u in het geheel niet kunt verhinderen“.

Napoleon steekt de Alpen over
Portret: Jacques-Louis
David (1800)
(1.0)

De verfransing van de lagere klasse slaagde echter niet, onder meer door slecht georganiseerd onderwijs en analfabetisme. Wel drongen er steeds meer Franse woorden en uitdrukkingen door in de Zuid-Nederlandse spreektaal. Napoleon Bonaparte voerde een gerichtere taalpolitiek. Zijn bedoeling was de welgestelde middenklasse (industriëlen, kooplieden, ambtenaren) te verfransen. Dat probeerde hij via het onderwijs, de pers, en culturele activiteiten zoals het theater te realiseren. Door de economische bloei was de welgestelde middenklasse steeds belangrijker geworden; zij werden steeds zelfbewuster en ze wilden zich onderscheiden van de dialectsprekende massa. Mede door de taalpolitiek van Napoleon raakten ze ervan overtuigd van de superioriteit van de Franse taal, en ze wilden deel hebben aan de prestigieuze Franse cultuur.

Door de verfransing was er een sociale kloof ontstaan tussen de maatschappelijk hogere bevolkingsklasse (adel en burgerij), die Franstalig was, en het gewone volk, dat Nederlands sprak (de meerderheid). Wie meer sociale kansen wilde in het zuiden, met name een betere baan, moest Frans leren, de prestigetaal. De Zuid-Nederlandse moedertaal had dus een ondergeschikte positie. Het zag er aan het begin van de 19e eeuw eigenlijk naar uit dat alle provincies van het grondgebied dat we nu België noemen, Franstalig zouden worden. Maar de geschiedenis nam een andere wending na de nederlaag van Napoleon.

Het Verenigd Koninkrijk en de taalpolitiek van Willem I

In 1815 kwam er een eind aan de Franse bezetting. Tussen 1815 en 1830 was er een kortstondige hereniging van noord en zuid onder koning Willem I die van groot belang is geweest voor de taalsituatie in het zuiden en voor de positie van het Nederlands in het bijzonder. Vlaanderen zou volledig verfranst zijn als Willem I er niet was geweest. Hij voerde een taalpolitiek ten gunste van het Nederlands vanuit de visie 'één natie, één taal' die ook zijn Franse voorgangers hadden. Het Nederlands werd in 1819 uitgeroepen tot de enige officiële taal in de provincies West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Antwerpen en Limburg, vanaf 1823 ook in het tweetalige Brabant. De oorspronkelijk Franstalige provincies in het zuiden mochten het Frans als officiële taal behouden, daar streefde Willem I naar een algemene tweetaligheid.

Willem I maakt het Nederlands in de Vlaamse provincies verplicht op verschillende domeinen: het bestuur, de rechtspraak en het onderwijs. Hij streefde ernaar om het schoolsysteem er volledig te vernederlandsen; op iedere openbare school moest een leraar Nederlands worden aangesteld. Op de universiteiten van Gent, Leuven, Brussel en Luik werd een leerstoel Nederlands ingericht en er werden Nederlanders uit het noorden aangetrokken om Nederlandse taal- en letterkunde te doceren. Willem I wilde niet alleen de verspreiding en de kennis van het Nederlands bevorderen, maar ook het prestige van het Nederlands. Mede door deze inspanningen werd een generatie Vlaamse intellectuelen opgeleid die later een belangrijke rol zou gaan spelen in de strijd voor het Nederlands.

Het Pro Patria Monument
in Brussel herinnert
aan die martelaren van
de Belgische Revolutie
Foto: Daderot (1.0)

Willem I kon evenwel niet verhinderen dat een groot deel van de bevolking Franstalig bleef. Zijn taalpolitiek stuitte bij meerdere groepen in de samenleving op verzet. De Franstalige moedertaalsprekers in de zuidelijke provincies van het rijk voelden zich bedreigd. Zij beschouwden de politiek van Willem I als een bedreiging voor het Frans. De hogere klasse voelde zich eveneens aangetast; zij had het idee dat de superieure Franse cultuur en taal bedreigd werden. De verfranste burgerij (welgestelde middenklasse) kon niet aanvaarden dat Willem I hun het Nederlands opdrong en zo de individuele vrijheid aantastte. Ze eiste vrijheid van taalgebruik. Tot slot hadden de katholieke geestelijken moeite met het noordelijke karakter van het Nederlands van Willem I: zij vreesden dat samen met het Hollands ook protestantse gedachten binnengebracht zouden worden. Zij pleitten voor het behoud van de Zuid-Nederlandse dialecten om de katholieke traditie te beschermen.

De Belgische onafhankelijkheid

Het Belgische volkslied,
de Brabanconne.

Veel invloedrijke figuren in het zuiden en belangrijke groepen spraken zich uit tegen de taalpolitiek van koning Willem I. De druk van het protest werd te groot en in de Vlaamse provincies werd het Frans weer toegelaten voor bepaalde administratieve en wettelijke zaken. Na de oprichting van het koninkrijk België in 1830 werd de taalvrijheid vastgelegd in de grondwet van 1831. Het idee was: het gebruik van de talen in België is vrij en niemand kan worden vervolgd omdat hij een bepaalde taal wel of niet spreekt.

In de praktijk betekende het principe van taalvrijheid echter een herstel van de positie van het Frans als dominante taal in het openbare leven: het bestuur, het gerecht, het leger, het middelbaar en hoger onderwijs, de wetenschap, de handel, de pers, het artistieke leven enzovoort. Dat leek ten eerste een logische voortzetting van de situatie voor het Verenigd Koninkrijk (vgl. Franse tijd). Bovendien had het Frans in de 19e eeuw nog steeds veel prestige. Daartoe droeg bij dat de Franstalige provincies van Wallonië in die tijd een sterke economische bloei kenden door staalindustrie en mijnbouw. De economische ontwikkeling van Vlaanderen kwam pas veel later op gang; in de 19e eeuw was het nog voornamelijk agrarisch gebied.

Het Nederlands had in het nieuwe koninkrijk automatisch een inferieure positie. De meerderheid van de Nederlandssprekende bevolking had daar niet echt een probleem mee. Op het Vlaamse platteland had men het te druk met werken voor de kost, en het leven speelde zich af in het lokale dialect: men genoot geen hoger onderwijs, kon geen stem uitbrengen en kwam relatief weinig in contact met de Franstalige overheid.

De Vlaamse Beweging

Raadpleeg deze website voor uitgebreide informatie over de geschiedenis van de Vlaamse Beweging.

Er was echter een groep Vlamingen die wél reageerde op de dominantie van het Frans. Het waren personen die kennis en motivatie hadden opgedaan ten tijde van het Verenigd Koninkrijk. Deze schrijvers, leraren, geleerden en priesters uit de middenklasse accepteerden niet dat hun Nederlandse moedertaal geen plek had in het openbare leven. Het zat hen vooral dwars dat ze geen betere baan konden krijgen omdat ze altijd moesten concurreren met Franstalige moedertaalsprekers uit de Waalse provincies. De geestelijken van hun kant waren voorstanders van de volkstaal om de traditionele katholieke maatschappij te behouden. Er ontwikkelde zich ook een nieuw Vlaams nationaal bewustzijn. Zo ontstond tussen 1834 en 1840 de Vlaamse Beweging.

Lees op de DBNL De Leeuw van Vlaanderen, waarin de bekende Antwerpse auteur Hendrik Conscience (1812-1883) de Guldensporenslag beschrijft. De roman was een symbool van de vroege Vlaamse Beweging.

De Vlaamse Beweging heeft in feite een literaire basis. Literatoren uit Gent, Antwerpen en Leuven wilden het volk bewust maken van het rijke verleden van Vlaanderen. Ze waren van mening dat door de vele jaren van bezetting het nationale gevoel in het zuiden aangetast was, en dat de kunst en letteren waren verwaarloosd. Om die reden brachten ze het glorieuze verleden van het graafschap Vlaanderen opnieuw onder de aandacht, in historische romans, toneelopvoeringen en dergelijke. Vooral de Guldensporenslag werd bejubeld.

De Vlaamse Beweging kreeg al gauw een politiek karakter. Haar aanhangers ijveren voor het recht van Vlamingen om hun eigen taal te gebruiken. Een aparte partij om de eisen kracht bij te zetten was er nog niet. De groepen Vlaamsgezinde intellectuelen zetten zich binnen de bestaande partijen in voor de rechten van de Nederlandse taal, en in bredere zin voor de erkenning van de Vlamingen als volk. In die sfeer werd trouwens de naam Vlaanderen uitgebreid om alle Nederlandstalige provincies aan te duiden. De Vlaamse Beweging had aanvankelijk alleen een paar gematigde eisen. Maar de jarenlange taalstrijd waarin België verwikkeld raakte, leidde tot verhitte discussies waarin de eisen steeds radicaler zouden worden.

De centrale figuur van de Vlaamse Beweging was Jan Frans Willems (1793-1846).

De beginperiode

In 1840 gebruikte de Vlaamse Beweging een petitie om het herstel te vragen van het Nederlands in bestuur, rechtspraak en onderwijs. Het was een roep om de wettelijke erkenning van de eigen taal: iedereen die dat wil, moet het recht hebben om in het Nederlands te communiceren met de overheid. De petitie, die slechts 13 000 handtekeningen telde, leverde niets op en op de eis werd niet ingegaan.

In 1856 stelde de regering de Grievencommissie in. Aan deze commissie van Vlaamsgezinden werd gevraagd de klachten van de Vlamingen op een rijtje te zetten en aan de hand daarvan concrete voorstellen te doen. Hun voorstel was Vlaanderen officieel tweetalig te maken, maar dat wees de regering af.

De eerste successen

In 1860 vond in België een incident plaats dat de aanleiding vormde voor de goedkeuring van de eerste taalwet. In Wallonië werd een weduwe, mevrouw Dubois, ’s nachts overvallen. Op haar sterfbed kon ze nog meedelen dat de daders 'Vlaams' hadden gesproken. Daarop werden Jan Coucke en Pieter Goethals, twee Vlaamse arbeiders die in de omgeving werkten, van de misdaad beschuldigd. Er kwam een proces, maar dat vond volledig plaats in het Frans; zelfs hun advocaat sprak geen Nederlands. De mannen werden schuldig verklaard en onthoofd, zonder dat zij iets van hun eigen proces begrepen hadden. Een jaar later bekenden twee bendeleden dat zij de moord op mevrouw Dubois hadden gepleegd. Coucke en Goethals waren dus onschuldig veroordeeld... Over dat incident ontstond er natuurlijk veel opschudding en een reactie kon niet uitblijven.

In 1873 werd in de Vlaamse provincies de wet-Coremans goedgekeurd. Die wet betrof de rechtbanken in de Vlaamse provincies (maar nog niet in Brussel): de rechtspraak moest in het Nederlands gebeuren in alle zaken waarin de beschuldigde geen Frans kende. De taalwetgeving die vanaf dan op gang kwam, houdt concreet in dat het gebruik van talen in specifieke situaties wettelijk wordt vastgelegd. Voor de Vlamingen betekende dat in eerste instantie het verwerven van rechten om hun taal in bepaalde situaties te mogen gebruiken; in ruimere zin, een stapsgewijze vernederlandsing van het openbare leven in de Vlaamse provincies. Na de wet-Coremans volgde in 1878 de wet-De Laet i.v.m. het gebruik van het Nederlands in het centrale bestuur, dus de taal die ambtenaren moeten gebruiken voor mededelingen aan de bevolking. De wet-De Vigne-Coremans hield een gedeeltelijke vernederlandsing van het middelbaar onderwijs in en een ruimer gebruik van het Nederlands in de administratie, rechtspraak en wetgeving in de Vlaamse provincies.

Franstalig bankbiljet uit 1851
Foto: Nationale Bank van Belgie (CC BY-ND 2.0)

De Vlaamse provincies werden dus tweetalig gemaakt, terwijl Brussel en de Waalse provincies eentalig Frans waren gebleven. Maar mettertijd werden muntstukken (1886), bankbiljetten (1888), postzegels (1891) en ook het Staatsblad (1895) tweetalig, dat waren zichtbare tekens dat het gehele land in toenemende mate als tweetalig beschouwd werd. De bevestiging daarvan vormde de invoering van het algemeen stemrecht voor mannen, omdat zo de Nederlandstalige meerderheid van de bevolking ook politiek vertegenwoordigd werd.

Een tweetalig land?

Canada is officieel tweetalig: overal in het land heb je het recht om Engels of Frans te gebruiken.

Tweetalig stopbord
Foto: Steven Spell (1.0)

Tot een tweetalig België kwam het in 1898 met de goedkeuring van de Gelijkheidswet. Die betekende een wettelijke aanvaarding van het Nederlands als taal voor het staatsbestuur, de rechtspraak en het staatsonderwijs naast het Frans. Voortaan zouden alle wetten in het Frans én in het Nederlands afgekondigd met dezelfde rechtskracht. De Vlaamse Beweging had dus haar eerste eis binnengehaald.

De toepassing van de Gelijkheidswet en de overige taalwetten liet echter op zich wachten. In de praktijk bleven Brussel en Wallonië eentalig Frans. Maar ook in de Vlaamse provincies bleef het Frans in de praktijk nog sociaal en economisch dominant. Het bleef de prestigetaal die je moest kennen om een goede baan in de openbare sector te hebben. Veel Walen die bij de overheid werkten, voelden geen noodzaak om Nederlands te leren. Ook het onderwijs in de Vlaamse provincies vond nog voor een groot deel plaats in het Frans.

Het aantal Vlaamsgezinden in Vlaanderen nam onder invloed van economische en culturele ontwikkelingen toe. Aan het eind van de 19e eeuw werden de Vlaamse provincies van het land geleidelijk geïndustrialiseerd. Er ontstond in Vlaanderen een middenklasse die steeds ambitieuzer en mondiger werd. De interesse in Nederlandstalige kranten en literatuur nam in die tijd ook toe. Er waren meer en meer mensen die baat hadden bij een vergaande vernederlandsing van het openbare leven, het onderwijs e.d.

Radicalisering van de Vlaamse Beweging

Tyne Cot Cemetery, Passendale
Foto: Koen Demarsin
voor Erf-goed.be
(CC BY-NC-SA 2.0)

In 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit. Het Duitse leger viel het neutrale België binnen en bezette 4 jaar lang het land. Vooral de provincie West-Vlaanderen (de Westhoek) had zwaar te lijden onder de oorlog. De oorlog en de Duitse bezetting brachten een scheiding in de Vlaamse Beweging teweeg. De Duitse bezetter probeerde in naam van de Germaanse stamverwantschap de eigen macht uit te breiden en bood hulp bij de realisatie van de eisen van de Vlaamse Beweging (zgn. Flamenpolitik). Een deel van de Vlaamse Beweging, de zgn. activisten, ging op het aanbod in en collaboreerde met de Duitsers. Onder invloed van de Duitse bezetter werd zo de universiteit van Gent vernederlandst. Andere Vlaamsgezinden weigerden echter met de Duitsers samen te werken (de passivisten). De collaboratie werd de Vlaamse Beweging na de oorlog zeer kwalijk genomen en de meeste maatregelen werden weer ongedaan gemaakt.

Voor de Vlaamse Beweging is verder van belang dat zich de radicaal Vlaamsgezinde Frontbeweging ontwikkelde. Het was een vereniging van Vlaamsgezinden die zich vooral inzette tegen het Franstalige beleid in het leger, dat in het ergste geval tot communicatieproblemen op het slagveld kon leiden. Na de oorlog kwam uit de Frontbeweging en de activisten de eerste Vlaams-nationalistische politieke partij voort, de Frontpartij, die pleitte voor de oprichting van een onafhankelijk Vlaanderen. De taalstrijd was geradicaliseerd in een etnisch conflict.

Ook het gematigde deel van de Vlaamsgezinden versterkte de eisen. In plaats van tweetaligheid werd nu eentaligheid gevraagd: men pleitte voor een eentalig Nederlandstalig Vlaanderen binnen een democratisch België. Kortom, op het grondgebied van Vlaanderen moest het Nederlands de enige taal van het openbare leven zijn. Door de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht in 1919 waren de Vlamingen ruim vertegenwoordigd in de Belgische politiek, wat het doorvoeren van de taalwetgeving bevorderde. Overigens zagen de Franstaligen ook wel wat in een eentalig Wallonië.

In 1912 schreef politicus Jules Destrée in een open brief aan de koning:
Sire, (...) Vous régnez sur deux peuples. Il y a en Belgique, des Wallons et des Flamands; il n'y a pas de Belges: "Sire, u regeert over twee volkeren. In België zijn er Walen en Vlamingen; er zijn geen Belgen."

Een eeuw na de oprichting van het koninkrijk België werd het Compromis des Belges (1929) gesloten. Het was een overeenkomst tussen Vlaamse en Waalse socialisten over de verhoudingen tussen de bevolkingsgroepen in België en het betekende de aanvaarding van de culturele autonomie van Vlaanderen en Wallonië. Daarmee was in feite de weg vrijgemaakt voor de erkenning van twee eentalige gebieden.

Territorialiteit

In de jaren '30 van de 20e eeuw vond het territorialiteitsprincipe toepassing: door middel van een reeks grote taalwetten werden twee eentalige gebieden erkend. Er kwam een einde aan de verfransing van het openbare leven in de Vlaamse provincies. In 1930 werd het onderwijs aan de universiteit van Gent definitief Nederlandstalig, en daarmee kreeg België zijn eerste Nederlandstalige universiteit. In 1932 volgde de wet op het taalgebruik in bestuurszaken, waarmee vastgelegd werd dat in de Vlaamse resp. de Waalse provincies de streektaal de bestuurtaal was. De rechtspraak in de twee gebieden werd in 1935 eentalig gemaakt en in 1938 kwam er een wet voor het taalgebruik in het leger. Maar het zou nog 30 jaar duren voor de twee taalgebieden wettelijk afgebakend werden en er een regeling voor Brussel kwam.

Koning Leopold III
Foto: Onbekend (1.0)

Inmiddels werd de radicale vleugel van de Vlaamse Beweging steeds sterker. De anti-Belgische Frontpartij transformeerde zich in 1933 in de fascistische VNV (Vlaams Nationaal Verbond). Tijdens de tweede wereldoorlog kwam het opnieuw tot collaboratie. Na de oorlog bracht de zgn. koningskwestie, een conflict rond koning Leopold III, de politieke tegenstellingen in België sterk op de voorgrond. De spanningen tussen Vlamingen en Walen liepen hoog op. Het accent lag niet op de taal, maar op het communautaire probleem: het samenleven van de taalgemeenschappen in één land.

In de loop van de jaren '50 namen de tegenstellingen tussen het Vlaamse en het Waalse deel van het land toe. Het economische zwaartepunt verschoof naar Vlaanderen na de sluiting van de mijnen in het zuiden. De groeiende werkloosheid in Wallonië veroorzaakte spanningen. Een toenemend Vlaamse bewustzijn uitte zich onder meer in de oprichting van een nieuwe Vlaams-nationalistische partij, de Volksunie.

Vastleggen van de taalgrens

De Vlaamsgezinden gingen hun aandacht richten op de taalgrens. De grens tussen de eentalige gebieden in België lag namelijk niet vast, maar was afhankelijk van talentellingen die regelmatig werden gehouden. De burgers in elke gemeente moesten dan opgeven welke taal ze meestal spraken. Op basis daarvan werden de grenzen van de taalgebieden aangepast. Zo gebeurde het een paar keer dat in steeds meer gemeentes de meerderheid van de mensen Franstalig bleek te zijn en de grens opschoof, wat concreet betekende dat er een stukje van het Nederlandstalige grondgebied verdween. In 1947 gebeurde dat opnieuw, waar door de Vlaamsgezinden met ongeloof op werd gereageerd. Ze maakten zich vooral zorgen over de regio Brussel, die steeds meer leek te verfransen. De taalstrijd was een strijd om grondgebieden geworden. De Vlaamsgezinden wilden dat het Nederlandstalige grondgebied definitief zou worden begrensd en de Vlaamse gemeenschap zou worden erkend.

De taalwetten van 1962-1963 legden uiteindelijk de taalgebieden vast: de grenzen van het Nederlandstalige en Franstalige gebied, het Duitstalige gebied en het tweetalige Brussel werden bij wet bepaald. Deze wetgeving bevestigde nog eens het territorialiteitsbeginsel: de taal hoort bij een bepaald gebied, en wie daar woont, moet zich aanpassen. In de afzonderlijke taalgebieden werd de streektaal de enige toegelaten taal voor het openbare leven, dus bijvoorbeeld voor het bestuur, de rechtspraak, het leger, de politie.

Actuele verdeling van de talen in Brussel
Kaart: Hooiwind (1.0)

Het vastleggen van de taalgrens gebeurde natuurlijk niet zonder problemen; het ging gepaard met een aantal correcties die tot op de dag van vandaag hun weerslag hebben op de Belgische politieke situatie (zo ging bv. de Voerstreek over naar het Nederlandstalige gebied). Een ander veelbesproken thema tot op de dag van vandaag zijn de taalfaciliteiten. Dat zijn bepaalde rechten voor het gebruik van de eigen taal, bv. het recht op onderwijs of documenten in de eigen taal. In de periode 1962-1963 kwamen er 25 faciliteitengemeenten in het contactgebied langs de taalgrens en later kwamen er nog 6 bij in de Brusselse rand. Het zijn gemeenten die op eentalig grondgebied liggen, maar waar aan de minderheid die een andere taal spreekt (ten minste 30 % van de inwoners) faciliteiten worden verleend. Zo ligt bijvoorbeeld de Voerstreek in het Nederlandse taalgebied, maar de Franstalige minderheid krijgt er faciliteiten. Deze regeling verloopt echter niet zonder problemen, vooral in de Brusselse rand: veel Vlaamsgezinden willen voorkomen dat de Franstaligen er meer rechten krijgen, omdat bij hun de angst bestaat dat Brussel zal verfransen.

Uit vrees voor de verfransing van het Nederlandstalige deel van de provincie Brabant wilden de Vlamingen in 1968 de Katholieke Universiteit Leuven laten splitsen. Die universiteit was na de wetgeving van 1963 tweetalig gebleven en ze trok steeds meer Franstaligen aan. Het conflict in 1968 leidde tot de val van de regering. In Wallonië werd de Franstalige campus Louvain-la-Neuve opgericht, zodat de campus in de stad Leuven eentalig Nederlands kon worden. Ook de Vrije Universiteit Brussel splitste in een Nederlandstalige en een Franstalige afdeling.

In Vlaanderen Nederlands

In de jaren '70 werden de politieke partijen in België gesplitst in een Franstalige en een Nederlandstalige afdeling; ook vond de oprichting plaats van de extreem-rechtse partij het Vlaams Blok (nu Vlaams Belang).

Het Vlaamse volkslied,
de Vlaamse Leeuw.

De industrie en de handel waren in Vlaanderen tot dan toe nog steeds verfranst. In het bedrijfsleven werd nog vaak Frans gesproken door de werkgevers, terwijl de werknemers Nederlands spraken. Ook op dat domein van het openbare leven werd een verandering doorgevoerd. In juli 1973 werd vastgelegd dat de voertaal in bedrijven in Vlaanderen het Nederlands moest zijn, d.w.z. alle communicatie tussen werkgevers en werknemers moest voortaan in het Nederlands gebeuren. Dat was de laatste actie om het Frans uit het openbare leven in Vlaanderen te schrappen.

Het decreet van 10 december 1973 bepaalde dat de officiële taal van Vlaanderen consequent Nederlands zou worden genoemd (en niet meer Vlaams). Vlaanderen werd zo officieel deel van het Nederlandse taalgebied, en Vlaanderen en Nederland zouden intensief gaan samenwerken wat betreft de normering van de standaardtaal. (zie verderop)

Federalisering

Het was intussen alsmaar duidelijker geworden dat de tegenstellingen tussen Vlaanderen en Wallonië verder gingen dan alleen maar het taalverschil. Er was ook een verschil in godsdienst, op politiek en op economisch gebied: Wallonië was vroeg geïndustrialiseerd, vrijzinnig en socialistisch gekleurd; Vlaanderen was katholiek, lange tijd agragrisch gebied maar met een sterke economische groei. Op grond van die tegenstellingen werd het proces van de federalisering van België op gang gebracht, waarbij aan de deelstaten een grotere autonomie werd toegekend. Daarvoor was vooral Vlaanderen de vragende partij.

In 1970 werd een grondwetsherziening doorgevoerd die de Belgische staat diepgaand hervormde. Er werd een begin gemaakt met de oprichting van gemeenschappen met culturele autonomie, en (voorlopige) gewesten met eigen bevoegdheden. In 1980 trad een nieuwe fase van de staatshervorming in, waarbij volwaardige gewesten ingericht werden. Door samenvoeging van het Vlaamse gewest en de Nederlandse cultuurgemeenschap werd één Vlaamse deelstaat opgericht. Er werden beslissende stappen gezet in de richting van een federale staat. In 1988 werd Brussel een gewest met een eigen statuut en de deelstaten kregen meer bevoegdheden. De staatshervorming werd vervolmaakt in 1993. Door verschillende ingrijpende maatregelen werd België definitief een federale staat. De provincie Brabant werd gesplitst in Vlaams-Brabant en Waals-Brabant. Bij de vijfde hervorming, het Lambermontakkoord uit 2001, werd er nog meer autonomie voor de deelstaten erkend. Sindsdien is er van Vlaamse zijde herhaaldelijk op een nog verdere staatshervorming aangedrongen.

In België zijn er drie gewesten: het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Daarnaast zijn er drie gemeenschappen: de Franse, de Nederlandse en de Duitstalige gemeenschap. De bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten zijn vastgelegd en ze hebben eigen parlementen en regeringen (in Vlaanderen zijn de gewest- en gemeenschapsregering samengesmolten). De gewesten zijn vergelijkbaar met de Duitse Bundesländer. De gewesten zijn onder meer bevoegd voor economie, landbouw, werkgelegenheid en huisvesting. De drie gemeenschappen zijn verantwoordelijk voor taal en cultuur en bijvoorbeeld het onderwijs. De federale overheid is bevoegd voor onder andere financiën, justitie, het leger en de sociale zekerheid.


Het volledigste naslagwerk over het Nederlands in België is het Verhaal van het Vlaams door Willemyns & Daniëls (2003). In van den Toorn (1997) is een gedetailleerd hoofdstuk over het Nederlands in België te vinden geschreven door Guido Geerts. De ontwikkeling van het Nederlands in België komt ook met tekstvoorbeelden aan bod in Janssens & Marynissen (2005). De taalwetgeving met de politieke achtergrond wordt besproken in Witte & Van Velthoven (1998). Specifiek over het onderwijs van het Nederlands onder Willem I handelt Janssens & Steyaert (2007).

Een leuke inleiding over België biedt Van Istendael (1993). De Belgische geschiedenis wordt aanschouwelijk verteld door Reynebeau (2005). De politieke geschiedenis van België wordt beschreven in Witte et al. (2005).

Verwijzingen

Standaardisering van het Nederlands in België
Het Belgisch Nederlands
Het Nederlands in Brussel
De toekomst van het Nederlands