Structuur en geschiedenis van het Nederlands Een inleiding tot de taalkunde van het Nederlands

Feiten en cijfers

Op deze pagina worden de belangrijkste feiten over de Nederlandse taal op een rijtje gezet. Voor meer informatie zie de modules van onze 'Inleiding in de Nederlandse taalkunde'. Daar vindt u een uitvoerig overzicht van de geschiedenis van het Nederlands. Taalsociologische en -geografische aspecten worden in de module 'Taalvariatie' nader uitgewerkt, de structuur van het Nederlands wordt in de modules 'Fonologie', 'Morfologie' en 'Syntaxis' uitvoerig behandeld.

Auteur: Ulrike Vogl

Status en verspreiding

Tegenwoordig spreken ongeveer 21 miljoen mensen een variant van het Nederlands. In Europa is het Nederlands de officiële taal in Nederland en in België. Daarbuiten wordt in het Noorden van Frankrijk door rond 80.000 bewoners van het departement Nord een West-Vlaams dialect gesproken.
In Nederland heeft het Nederlands circa zestien miljoen eerste- en tweedetaalsprekers, in België is meer dan de helft (ca. vijf miljoen) van de bevolking Nederlandstalig.

Het Nederlands in België wordt vaak aangeduid als Vlaams (een naam die eigenlijk betrekking heeft op het dialect van de provincies Oost- en West-Vlaanderen). Andere benamingen hiervoor zijn Belgisch Nederlands, Algemeen Belgisch Nederlands en Zuidelijk Nederlands.
De opvallendste verschillen tussen Nederlands Nederlands en Belgisch Nederlands doen zich voor op fonologisch en lexicaal niveau. Zo wordt bijvoorbeeld de <g> klank in het Zuiden zachter (stemhebbend) uitgesproken dan in het Noorden en wordt het bijvoeglijk naamwoord ‘schoon’ in de betekenis van ‘mooi’ gebruikt en niet in de betekenis van ‘niet vies’ zoals in Nederland. In veel gevallen kunnen bijzonderheden van Belgisch Nederlands ook in de taal van enkele zuidelijke provincies van Nederland zoals Brabant en Limburg worden aangetroffen.

Interactieve kaart:
Indeling van de Nederlandse dialecten
Kaart: Jeroenvrp (CC BY-SA 3.0)

Voor meer informatie zie
Dialecten in Nederland en Vlaanderen.

Het Nederlandse taalgebied wordt over het algemeen onderverdeeld in de volgende dialectgroepen: de noordoostelijke dialecten (waaronder het Gronings), de centraal-westelijke dialecten (bijv. het Zuid-Hollands), de zuidwestelijke dialecten (het West-Vlaams en het Zeeuws), de centraal-zuidelijke dialecten (waaronder Brabants in Nederland en Antwerps in België) en de zuidoostelijke dialecten (het Limburgs).
Ver uit elkaar liggende dialecten verschillen soms heel sterk van elkaar - een spreker van het Gronings zal een spreker van het West-Vlaams nauwelijks kunnen verstaan, tenzij ze allebei het overkoepelende Standaardnederlands spreken.

De actuele taalsituatie in België

België is officieel een drietalig land: Nederlands wordt in het Vlaamse gewest en in Brussel gesproken, Frans is de dominante taal in het Waalse gewest en in Brussel en Duits is de officiële taal in Eupen-St.Vith. Franstalig zijn in België circa 4,6 miljoen mensen, Duits is de eerste taal van rond 150.000 Belgen. Daarnaast zijn de talen van (voormalige) arbeidsmigranten van belang waarbij mensen met een Italiaanse achtergrond met 280.000 de grootste groep vormen. Verder zijn er rond 105.000 bewoners met een Marokkaans-Arabische taalachtergrond, circa 80.000 Portugezen en 63.000 Turkstaligen.

In Nederland is naast het Nederlands het Fries officiële taal. Het wordt in de Provincie Friesland door circa 450.000 mensen - dat zijn 74% van de bewoners van de hele provincie - als eerste respectievelijk tweede taal gesproken.
Tot de allochtone minderheidstalen in Nederland worden onder andere het Turks (192.000 sprekers), het Marokkaans-Arabisch (100.000), het Papiamentu (80.000) (omgangstaal op de voormalige Nederlandse Antillen en Aruba), het Maleis (45.000) en het Sranan Tongo (7.000) (omgangstaal in Suriname) gerekend.

Buiten Europa speelt het Nederlands vooral in de (voormalige) Nederlandse kolonies nog een rol.
De expansie van Nederland als handelsmacht en koloniale mogendheid begon in de zeventiende eeuw toen de VOC (Verenigde Oost-Indische Compagnie) en later de WIC (West-Indische Compagnie) handelsnederzettingen stichtten in de Oost (Nederlands-Indië, Zuid-Afrika, Japan) en in de West (het Caribisch gebied, Zuid- en Noord-Amerika en de kust van West-Afrika). De VOC resp. de WIC onderhielden in de loop van de zestiende en zeventiende eeuw handelsposten in onder andere Nieuw Amsterdam (het huidige New York), aan de Berbice-rivier in Guyana, in Brazilië, de Afrikaanse Kaap, het huidige Sri Lanka, in Japan en in de Indonesische Archipel. Onder Nederlands bestuur kwamen Nederlands-Indië, Suriname en enkele eilanden in het Caribisch gebied. Nederlands-Indië was tot 1947 een Nederlandse kolonie, Suriname was van 1645 tot 1976 onder Nederlands bestuur. De Caribische eilanden Aruba, St. Maarten en Curaçao horen nog steeds bij het Koninkrijk Nederland, maar ze hebben de status van aparte landen. De BES-eilanden (Bonaire, St. Eustatius, Saba) zijn 'bijzondere gemeenten' van Nederland.

Nederlandse kolonies en handelsposten
Kaart: Albers (CC BY-SA 3.0)

Op de voormalige Nederlandse Antillen en Aruba en ook in het inmiddels onafhankelijke Suriname is het Nederlands tot de dag van vandaag de officiële taal. In het Caribisch gebied wordt bovendien Papiaments, Spaans en Engels gesproken. In Suriname fungeert het Sranantongo als overkoepelende omgangstaal; daarnaast zijn onder andere het Sarnami Hindi, het Javaans en het Saramaccaans in gebruik.
In het huidige Indonesië speelt het Nederlands nauwelijks meer een rol. De officiële taal is het Bahasa Indonesia, een op het Maleis gebaseerde creooltaal waar echter wel Nederlandse invloed in terug te vinden is. Op de Zuid-Afrikaanse Kaap ontwikkelde zich uit de taal van de Nederlandse kolonisten en de talen van de inheemse bevolking een eigen variant van het Nederlands die inmiddels als Afrikaans (naast Engels, Tsonga, Sesotho, Swazi, Tswana, Venda, Xhosa en Zulu) één van de officiële talen van de Republiek Zuid-Afrika is. Behalve in Zuid-Afrika wordt het Afrikaans ook in het buurland Namibië gesproken.

Voor meer informatie zie
Overzees Nederlands

Sporen van het Nederlands zijn behalve in de voormalige kolonies ook in de grote overzeese emigratielanden te vinden: in enkele plaatsen in de Amerikaanse staten Iowa, Michigan en Wisconsin worden tot de dag van vandaag (weliswaar sterk door het Engels beïnvloede) variëteiten van het Nederlands gesproken. Reeds in de negentiende eeuw trokken Nederlanders en Vlamingen naar Amerika op zoek naar een beter bestaan. In de jaren 50 en 60 van de twintigste eeuw emigreerden tienduizenden Nederlanders naar Amerika (Canada en de VS) maar ook naar Australië, Nieuw-Zeeland, Brazilië en Zuid-Afrika.

Binnen het Europese talenstelsel is het Nederlands één van de middelgrote talen. Met 21 miljoen sprekers is de Nederlandse taalgemeenschap duidelijk kleiner dan bijvoorbeeld de Duitse met 100,4 miljoen sprekers of de Franse met 56,3 miljoen sprekers in Europa. Aan de andere kant heeft het Nederlands aanzienlijk meer sprekers dan andere nationale talen in Europa zoals het Zweeds (8,4 miljoen) of het IJslands (250.000 sprekers).

Buiten het Nederlandse taalgebied is er een groeiend aantal sprekers van het Nederlands als vreemde taal: het Nederlands wordt aan universiteiten in een veertigtal landen onderwezen (van Bulgarije tot Zuid-Korea). In het buurland Duitsland is het Nederlands in de deelstaten Nedersaksen en Noord-Rijnland-Westfalen schoolvak in het voortgezet onderwijs.

Taalgeschiedenis

Binnen de genetische classificatie in taalfamilies wordt het Nederlands tot de Germaanse talen gerekend en dan wel tot de tak van de West-Germaanse talen. Andere West-Germaanse talen zijn het Engels, het Duits, het Nederduits, het Fries, het Afrikaans, het Jiddisj, het Scots, het Letzeburgs en het Pennsylvania German.

Het begin van het Nederlands wordt door taalkundigen over het algemeen rond 700 n. Chr. gesitueerd. De zogenaamde tweede of Hoogduitse klankverschuiving die het Nederlands en het Nederduits niet meemaakten, scheidde het Hoogduits aan de ene kant van het Nederlands en het Nederduits aan de andere kant. Men gaat ervan uit dat deze klankontwikkeling tussen de vijfde en de achtste eeuw heeft plaatsgevonden. Dat leidde onder andere tot het volgende systematische verschil tussen het Duits en het Nederlands: waar het Duits na een vocaal een /x/ heeft, heeft het Nederlands een /k/ (vgl. machen vs. maken).

Hebban olla vogala
hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hi(c) (e)nda thu uu(at) unbida(n) (uu)e nu
('Alle vogels zijn met hun nesten begonnen, behalve ik en jij. Waar wachten wij nog op?').

De waarschijnlijk bekendste overgeleverde literaire tekst uit de Oudnederlandse periode is 'Hebban olla vogala' (van 1100), een zogenaamde ‘probatio pennae’, een stukje tekst waar in dit geval waarschijnlijk een West-Vlaamse monnik zijn pen uitprobeerde. Er zijn echter nog oudere fragmenten uit de oudste taalfase van het Nederlands te vinden, al zijn het er in totaal weinig. Enkele voorbeelden zijn opgenomen in het hoofdstuk 'Het Oudnederlands'.

De periode van het Oudnederlands duurt tot ongeveer 1150. Het meest karakteristieke verschil tussen het Oudnederlands en de daaropvolgende taalfase, het Middelnederlands, zit hem in de onbeklemtoonde lettergrepen. Het Oudnederlands kende nog volle klinkers in onbeklemtoonde lettergrepen waar latere taalvormen alleen gereduceerde klinkers (sjwa’s) hebben (vgl. hebban vs. hebben).

Hine heeft ooc niemene so lief,
No den koning minen heere,
Hine wilde dat hi lijf ende eere
Verlore, mochtire an winnen
Een vet morzeel van eere hinnen

Van den vos Reynaerde (van zekere Willem, rond 1300)

De term Middelnederlands omvat een vrij groot aantal taalvariëteiten die binnen de grenzen van het huidige Nederlandse taalgebied tussen 1150 en 1500 werden gesproken. Onderzoek naar het Middelnederlands kan op een ruime en gevarieerde keuze van teksten teruggrijpen (voorbeelden voor Middelnederlandse literaire teksten zijn ‘Van den vos Reynaerde’ en ‘Marieken van Nieumeghen’). Het Middelnederlands kende drie woordgeslachten en vier naamvallen. Kenmerkend is ook het gebruik van een dubbele negatie zoals in het volgende fragment uit ‘Van den vos Reynaerde’ (rond 1300): Hine heeft ooc niemene so lief (Hij heeft ook niemand zo lief).

Vanaf de zestiende eeuw werd naar een gemeenschappelijke Nederlandse standaardtaal gestreefd. Centraal stond in dit proces het gewest Holland, sterke invloeden gingen uit van de taal van rijke vluchtelingen uit het zuiden van het Nederlandse taalgebied (Antwerpen, Brabant) die zich in Holland vestigden. Een belangrijke rol bij de standaardisering van het Nederlands speelde de uitgave van de Statenbijbel in 1637 waar deskundigen uit verschillende streken van het Nederlandse taalgebied aan meewerkten. Bovendien verscheen in 1584 de eerste Nederlandse grammatica, de ‘Twe-spraack vande Nederduitsche letterkunst’.

De structuur van het Nederlands

Het moderne Nederlands is, vergeleken met het Middelnederlands of het Duits, een weinig flecterende taal. Het Nederlands van vandaag heeft maar twee genera - ‘de’- (mannelijk + vrouwelijk) en ‘het’-woorden (neutrum). Het onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden speelt alleen in het Belgische Nederlands en in dialecten nog een noemenswaardige rol. Resten van naamvallen zijn alleen nog in enkele vaste uitdrukkingen terug te vinden (bijv. ‘de heer des huizes’). Conjunctiefuitgangen zijn eveneens uit het Nederlands verdwenen. Aan de andere kant wordt in tegenstelling tot het Engels of ook het Afrikaans het werkwoord in het Nederlands wel in persoon en getal vervoegd.

Voor meer informatie zie de module
Fonologie

Het opvallendste kenmerk op fonologisch gebied is voor niet-Nederlanders waarschijnlijk de /ɣ/-klank waar andere West-Germaanse talen in de meeste gevallen een /g/ spreken: vgl. Nederlands goed [ɣut] met Duits gut [gut], Engels good [ɡʊd] en Fries goed [guət]. [g] komt in het Nederlands alleen voor in leenwoorden zoals goal of Goethe.

In totaal heeft het Nederlands 19 consonant- en 16 vocaalfonemen (waarvan drie diftongen en een sjwa).

Kenmerkend voor de spelling van het Nederlands is de <oe> voor het foneem /u/ en de grafeemcombinatie <ij> (naast <ei>) voor /ɛi/. De basis voor de huidige Nederlandse spelling werd in de negentiende eeuw gelegd. De eerste officiële spelling kreeg het Nederlands in 1804 door Matthijs Siegenbeek. Sindsdien werd de spelling herhaaldelijk gewijzigd, voor het laatst in 2006.

Voor meer informatie zie
Syntaxis

De basiswoordvolgorde van het Nederlands stemt in grote lijnen overeen met de volgorde in het Duits. In de hoofdzin heeft het Nederlands SVO (Hij koopt een Nederlandse grammatica.), in de bijzin SOV (... dat hij een Nederlandse grammatica koopt.) Bovendien staat in declaratieve zinnen (in tegenstelling tot het Engels) het finiete werkwoord altijd op de tweede plaats (V2, verb second): Morgen koopt hij een Nederlandse grammatica.

Voor meer informatie zie
Morfologie

Opvallend is in het Nederlands het frequente gebruik van diminutieven. Het diminutiefsuffix kan niet alleen aan zelfstandige naamwoorden (huisje) maar ook bijvoorbeeld aan adverbia (eventjes) of voorzetsels (een ommetje) worden toegevoegd. De functie van het diminutiefsuffix varieert van ‘iets kleiner maken’ tot ‘iets relativeren’ en ‘iets leuker of beleefder’ uitdrukken.

Noemenswaardig is ook het veelvuldige gebruik van (reeksen van) modale partikels, meestal ter relativering van een uitspraak: Dat had je alleen ook best wel eens even kunnen doen.

Taalcontact

Leenwoorden kwamen in vroegere tijden voor een groot deel uit het Frans, tegenwoordig zijn ze vooral afkomstig uit het Engels. Dit betreft natuurlijk bijvoorbeeld de computerterminologie (printer, mousepad etc.) of de sportwereld (keeper, goal, etc.). Andere willekeurig gekozen voorbeelden zijn placemat en hype. In het Belgische Nederlands zijn leenwoorden uit het Frans zeer duidelijk aanwezig - zie bijv. camion (vrachtwagen), of depannage (takel- en sleephulp), wat verklaarbaar is door de eeuwenlange dominante positie van het Frans in Vlaanderen en het aanhoudende nauwe contact met het Frans in hedendaags Vlaanderen.

De toenemende invloed van het Engels heeft in de laatste decennia tot sterke tegenreacties geleid. Ten eerste neemt de angst voor een ‘teloorgang’ van het Nederlands door de groeiende overname van Engelse woorden en uitdrukkingen toe. Ten tweede is men bang dat in een nabije toekomst het Engels het Nederlands als taal van het onderwijs en de wetenschappen zou kunnen verdringen. Dit gevoel van ‘bedreiging’ heeft in de jaren negentig onder andere geleid tot een poging om het Nederlands als officiële taal van Nederland in de Grondwet vast te leggen. Dit initiatief is echter uiteindelijk op niets uitgelopen. Nog steeds bevat de Grondwet geen bepaling m.b.t. het taalgebruik in Nederland.

Recente thema's

Voor meer informatie zie
Dialecten in Nederland en Vlaanderen

In de laatste jaren is in Nederland sprake van een 'herleving' van dialecten en streektalen. Zo zijn bijvoorbeeld stripverhalen, liedjes etc. in verschillende dialecten in toenemende mate populair. Deze dialectrenaissance leidt in de praktijk echter niet tot een toename in het daadwerkelijke gebruik van dialecten.

Voor meer informatie zie
Sociolecten

Andere recente ontwikkelingen binnen het Nederlandse taalgebied zijn de beschrijving van het zogenaamde ‘Poldernederlands’ door Jan Stroop en die van ‘straattaal’ en ‘Murks’ door René Appel respectievelijk Jacomien Nortier.

Bij het Poldernederlands gaat het om het taalgebruik van vooral hoogopgeleide vrouwen uit de Randstad. Kenmerkend zijn onder andere de uitspraak van /ɛi/ als [ai] en de zogenaamde ‘Gooise r’.

Voor meer informatie zie
Straattaal

Straattaal is een verschijnsel dat in het kader van de toenemend multiculturele Nederlandse samenleving moet worden gezien. Straattaal is een aanduiding voor het taalgebruik van allochtone jongeren. Murks daarentegen benoemt de taal van autochtone jongeren die veel contact met allochtone jongeren hebben en die hun taalgebruik nadoen om ‘stoer’ over te komen.