Structuur en geschiedenis van het Nederlands Een inleiding tot de taalkunde van het Nederlands

Van Middelnederlands naar Nieuwnederlands

Hieronder worden enkele ontwikkelingen geschetst die het Nederlands heeft doorgemaakt vanaf de 16e eeuw, waardoor duidelijk wordt dat een nieuwe taalfase aangebroken is.

Uitspraak

In de 16e en 17e eeuw, en waarschijnlijk nog in de 18e eeuw vertoonde de uitspraak van het Nederlands veel variatie. De spreektaal was nog sterk dialectisch gekleurd. Niettemin vallen er algemene klankontwikkelingen op die zich in vergelijking met het Middelnederlands hebben voorgedaan. De belangrijkste verandering is de diftongering, die in een apart hoofdstuk wordt toegelicht.
Het zou nog lang duren voor er een gesproken standaardtaal kwam.

Morfologie

Naamvallen en genusonderscheid

Tegen de 16e eeuw waren in de spreektaal de onbeklemtoonde uitgangen afgesleten en van het Middelnederlandse naamvalsysteem was niet veel meer over. Met andere woorden, de taalwerkelijkheid was een vergaand flexieverlies. Grammatici als Spieghel deden echter pogingen om naar Latijns model een systeem met 6 naamvallen te introduceren, dat in de schrijftaal nog lang (gedeeltelijk) toegepast werd. Een correcte verbuiging impliceert dat je het genus van het substantief moet kennen. In het Middelnederlands kon bv. de eind-e van siele nog verraden dat het een vrouwelijk substantief was. Vanaf de 16e eeuw kon men niet meer op de uitgangen steunen: het genusonderscheid was niet langer zichtbaar. Grammatici gingen zich dan ook bezighouden met het opstellen van regels om mannelijke en vrouwelijke substantieven te onderscheiden. Dat bleven ze tot in de 19e eeuw doen.

Pronomina

In het Middelnederlandse pronominale systeem werd er een onderscheid gemaakt tussen de vertrouwelijke aanspreekvorm du aan de ene kant, en de beleefde vorm en tevens meervoudsvorm ghi. Tegen de 17e eeuw werd de vorm du als verouderd aangevoeld en de makers van de Statenbijbel kozen er dan ook bewust voor om ghij als aanspreekvorm te gebruiken. Ghij (door diftongering uit ghi) werd in Holland dan weer als jij uitgesproken.

Informatie over de moderne Nederlandse aanspreekvormen is te vinden in het hoofdstuk 'voornaamwoorden' in de ANS.

Na de 17e eeuw ontstaan de nieuwe aanspreekvormen uwé (uit Uwe Edelheid) en jijlui (uit gijlieden). Al deze vormen voor de tweede persoon werden aanvankelijk nog door elkaar gebruikt, maar gingen zich mettertijd specialiseren, waardoor het systeem ontstond dat we vandaag kennen: jij als vertrouwelijke vorm, u als beleefdheidsvorm, en jullie voor het meervoud (evt. u). De vorm gij geldt in het noorden van het taalgebied als plechtig, maar is in de zuidelijke spreektaal – waar jij in principe niet gebruikt wordt - normaal (vgl. aanspreekvormen in Belgisch Nederlands).

Het in het Middelnederlands nog gebruikelijke hem voor het uitdrukken van reflexiviteit (bv. hem scamen) wordt in het Nieuwnederlands vervangen door zich. Grammatici gaven de voorkeur aan het oostelijke zich vanwege de dubbelzinnigheid van hem, dat ook de objectvorm van de derde persoon kan zijn (bv. hij sloeg hem).

Syntaxis

De deflexie heeft gevolgen gehad voor de Nederlandse zinsbouw. Door de reductie van de naamvallen werd de positie van de woorden in de zin belangrijker om hun functie aan te duiden. In vergelijking met het Middelnederlands is de woordvolgorde van het Nieuwnederlands dan ook beduidend vaster. Dat is bijvoorbeeld te zien aan de tendens om de persoonsvorm in de bijzin steeds achteraan te zetten (bv. ik zie dat jullie moe zijn).

Verder is te zien dat bepaalde Middelnederlandse patronen verdwijnen, zoals de onpersoonlijke constructie (bv. hem dorst). De tweeledige negatie die zo typisch is voor het Middelnederlands (bv. hi en sprac niet), is in het Nieuwnederlands niet langer in gebruik – een uitzondering vormt de Statenbijbel. Kenmerkend voor de 16e- en 17e-eeuwse schrijftaal zijn constructies naar Latijns model.



Mooijaart & van der Wal (2008) geven een overzicht van het Nederlands van de middeleeuwen tot de Gouden Eeuw. Zie verder Janssens & Marynissen (2005), van der Sijs (2005) en De Korne & Rinkel (1987). Raadpleeg van der Horst (2008) voor syntactische ontwikkelingen. Vermaas (2002) bespreekt de geschiedenis van de Nederlandse aanspreekvormen; zie ook Grezel (2003).

Verwijzingen

Diftongering en Hollandse expansie
Latinistische constructies (ACI, participiumconstructies)